Hé? Een straatnaam Dijk? In Hapert? Waar mag dat dan wel geweest zijn? En Molenstraat 113? Zover ik weet is 29 het hoogste nummer aan de oneven kant. Altijd geweest. Daar woonde mijn oom, Marten Leijten, zoon van F. Leijten, die er links naast woonde van de straat af gezien.

Frans Leijten was een van de scheidsrechters van het eerste uur. Elke zondag na de mis trok hij zijn corduroy kniebroek en zijn katoenen overhemd aan, stak het notitieboekje voor de waarschuwingen in zijn borstzak en haalde zijn fiets uit het hok. Zijn voetbalschoenen had hij overgehouden aan de mobilisatie van ’14-’18, toen hij als grenswachter diende in de burt van Venlo. Daar had hij zelf leren voetballen van jongens uit Amsterdam die net als hij onder de wapenen waren geroepen. Zij speelden het spel al langer en waren verdomd handig met de bal. Frans zijn vader, Peerke Leijten, een schoenlapper die in 1926 onder de tram belandde bij café ’t Schoentje, had hoofdschuddend (“wa bende toch van plan jonge”) ijzeren noppen in de zolen van de soldatenschoenen gedraaid, zodat opa niet steeds uitgleed. Die kwamen hem nu goed van pas. Ten tijde van het krantenbericht, in 1936, liep hij al tegen de veertig. Hij was niet meer zo wendbaar en ook niet meer zo slank als in zijn jonge jaren. Hij mopperde tegen oma Van Eijndhoven dat ze zijn sporthemd niet zo heet moest wassen maar oma hield vol dat het daar niet van kwam.

Opa kreeg een knaak per wedstrijd en die kon hij goed gebruiken. Hij had net een huis gebouwd aan de Molenstraat in Hapert en daar liep al bijna een heel elftal rond als je de meisjes meerekende en dat kon gerust. Met zijn sigarenmakersloontje alleen kreeg hij het allemaal maar net gedraaid.

Maar voor die knaak deed-ie het niet. Frans Leijten was verslaafd aan voetbal. Na zijn diensttijd had hij zich gemeld in Bladel. Daar waren ze er vroeg bij met hun Bladella. In ’25, toen ook in Hapert een club werd opgericht, stapte hij over. Toen de benen niet meer wilden, werd hij scheidsrechter. Hij moest en zou ’s zondags op het veld staan. Als je hem vroeg wat hij nou eigenlijk zag in dat rare spelletje (wat behalve oma niemand ooit deed) wist hij niet wat hij moest zeggen. Verder dan “jongens onder mekaar” en “buitenlucht” en, alsof dat alles verklaarde, “voetbal is nou eenmaal voetbal”, kwam hij niet. Je moest maar eens een week sigaren gaan draaien, dan begreep je het wel.

Misschien was hij daarom ook wel niet zo streng. De jongens hadden door de week al genoeg gezeik aan hun kop. Pastoor van Gerwen had hem gevraagd om spelers die de naam des Heren al te ijdel gebruikten op te schrijven in zijn boekje. Dat had hij toen maar een tijdje gedaan, al vond hij dat het vloeken erbij hoorde. Lang had hij dat niet volgehouden. Omdat hij zelf net zo hard terug vloekte, vond hij dat hij het eigenlijk niet kon maken en de pastoor kwam toch nooit kijken.

’s Rijks schoenen bond hij onder de snelbinder en de scheidsrechtersfluit stak hij diep in de neus van de rechterschoen. Nooit in de linker, dat bracht ongeluk. Opgewekt zwaaide hij zijn been over de stang, reed het zandpad af naar de Molenstraat, ook nog een zandpad, en was vertrokken voor een lange zondagmiddag in de buitenlucht.

Voetbal is nou eenmaal voetbal.

Hugo Leijten